Megachile analis
ericabij
vr. punt achterlijf boven ) witviltig behaard; onderkant zwartbehaard; scopa rood; m: voortarsen wit tot geelachtig en niet verbreed
Lengte: 10-12 mm
Bloembezoek: vooral dophei
 
Volledige tekstt en foto's
 
 
 
Vrouwtje: punt achterlijf boven (tergiet 6) witviltig behaard; onderkant (sterniet 6) zwartbehaard; scopa rood; het voorste deel van het achterlijf (tergiet 1 en 2 ) lang behaard. lengte 10-12 mm.
Mannetje: voortarsen wit tot geelachtig en niet verbreed. Lengte 10-11 mm.
Vliegperiode: eind mei - begin september.
Habitat: hoogveen en natte heide.
Nesten: graaft een nest in zandige grond of maakt gebruik van bestaande holten. De broedcel wordt met stukjes blad van eik, berk en in de omgeving van niet zure grond roos (hondsroos en elegantier) bekleed.
Bloembezoek: dophei; naar Westricht (1989) grasklokje, gewone rolklaver, moerasrolklaver.
Voorkomen in Nederland: In hoofdzaak in de oostelijke helft van het land en zeer schaar in het kustgebied.
Beheer: op de plekken waar voedselplanten voorkomen vergrassing en successie tegengaan.
 
Ericabij (vr) (een opgezet exemplaar) Terug