Maskerbijen - Hylaeus
Kleine, realtief slanke (4,5-9,0 mm), met uitzondering van de haarbandjes op de zijkanten van het achterlijf, kale en meestal zwarte bijen; het gezicht te geheel of gedeelte lijk geel tot geel wit getekend. verzamelharen ontbreken. In Nederland zijn 25 soorten waargenomen waarvan de helft zeldzaam tot zeer zeldzaam is. Zonder loep (minimaal 10 x) zijn maskerbijen niet of nauwelijks van elkaar te onderscheiden.Voor juiste determinatie is een steriomicroscoop noodzakelijk.
Levenswijze
Maskerbijen nestelen in het algemeen in afgstorven holle stengels en takken; ze maken daarbij ook gebruik van rietmatten en riet daken en bijenhotels. Ze knagen ook een nesten uit in mergelhoudende stengels; dw rietmaskerbij nestelt in gallen van riet en de uittert zelzame rode masterbij nestelt in oude bijennesten in de grond. de broed cellen worden met een zijdeachtige stof bekleed.
Vliegperiode en bloembezoek: mei september. Het genus vliegt op bloemen van een zeer groot aantal uiteenlopende planten. 2 soorten zijn sterk gespecialiseerd.
 
Maskerbijen zijn kaal of zeer spaarzaam behaard.
Het vrouwtje heeft meestal twee langwerpige tot driehoekige of ronde vlekken op het gezicht; de basis van de antenne slank. Het gezicht van het mannetje is tussen de ogen meestal volledig gekleurd. De gele vlekken kunnen per soort in vormsterk verschillen
Bij de mannejes is de basis van de antenne vaak matig tot sterk verbreed.
Voorvleugels met 2 submarginale cellen (1 en 2): 1e Sm.cel groter dan 2e Sm.cel. De top van de radiaalcel is elliptisch, iets van de vleugelrand verwijderd en voorzien van een kort aderaanhangsel.
nectar en stuifmeel wordt met de mond verzameld. Het stuifmeel worrd in de krop (voorin het achterlijf) opgeslagen en zo naar het nest getransporteerd.