Slanksprietmaskerbij
Hylaeus gracilicornis
1e tergiet opzij met haarfranjes (zeer ijle haarbandjes, haarvlekken); Zowel het mannetje als het wijfje zijn rond de ocelli fijn gepuncteerd
Lengte: vr & m 4-ca. 5 mm
Zeer zeldzaam of uit Nederland verdwenen
In Nederland verzameld in mei en juli. (4 vangsteenheden)
Drachtplanten: vermoedelijk allerlei planten
Koekoeksbijen: niet bekend
Tekeningen
 
1e tergiet opzij met haarfranjes (zeer ijle haarbandjes, haarvlekken); Zowel het mannetje als het wijfje zijn rond de ocelli fijn gepuncteerd; door de vrij ruwe (netwerk) sculptuur zijn de punten moeilijk te zien; lengte 4-5 mm (m en vr).
Vrouwtje: de gele gezichtvlekken klein, streepvormig of afwezig; scutum (mesonotum: bovenkant borststuk) fijn en dun gepuncteerd.
Mannetje: scapus 2,0-2,1 maal zo lang als breed; 1e tergiet dun en verspreid gepuncteerd, punttussenruimte met een fijne (microscopisch) netwerkstructuur, maar wel glanzend; punctering scutum vrij dun.
Vliegperiode: eind mei-augustus.
Nesten: onder meer in afgestorven, mergbevattende plantenstengels (braam, distels);(Westrich, 1989); verder in stengels van theeboompje (Spiraea salicifolia) (Elfving, 1951) en in rietgallen van de halmvlieg Lipara lucens (Benoist, 1959).
Bloembezoek: in Nederland alleen vuilboom is bekend; verder kruipende boterbloem, peen, groot kaasjeskruid, zandwolfsmelk,
slangenkruid, hertsmunt, kool en braam.
Voorkomen in Nederland: In Nederland 1x verzameld bij Emmen een mannetje op vuilboom Op het terrein waar de soort is verzameld, is een groot fabriekscomplex gebouwd (mond. med. Vegter).
Samenvatting Peeters, T.M.J., Raemakers, I. P., Smit, Jan: Zoals diverse andere maskerbijen is Hylaeus gracilicomis in het veld niet te herkennen. Genitaalonderzoek is nodig voor het met zekerheid op naam brengen van de mannetjes. Deze maskerbij is in Nederland slechts één maal verzameld: één mannetje op 29 mei 1961 in Emmen op sporkehout Rhamnus frangula. Helaas is op het terrein Noordbarge waar de soort werd verzameld thans een groot fabriekscomplex gebouwd (schrift. med. Vegter). Door Dathe etal. (1996) werd deze soort opgesplitst in Hylaeus gracilicomis en H. lepidulus. Een recente herdeterminatie van het enige mannetje uit Nederland bevestigde het voorkomen van H. gracilicomis in ons land. In het zuiden van Nederland komt waarschijnlijk echter ook H. lepidulus voor. Tot op heden is nog weinig bekend over de levenswijze van deze soort. Het exemplaar uit ons land werd waarschijnlijk langs een bosrand gevonden. De nesten zijn waargenomen in stengels van braam (Rubus) en kruidachtige planten. De soort is polylectisch. De vliegtijd loopt van eind mei tot half augustus (Dathe et al. 1996).(Bron onderstaande link nederlandsesoorten)
 
Hylaeus gracilicornis Terug