Goudenregen - Laburnum x Watereri
Vlinderbloemenfamilie - Fabaceae -- meer soorten
Hommelplant, drachtplant
Een veelal meerstammige boom
Bloeiperiode: mei-juni
Bloem: geel, bloeiwijze een hangende tros( 20-45 cm lang)
Blad: gewoonlijk drietallig
Vrucht: een peul, zaden bruinachtig
hout: schors tamelijk glad en bruingroen, twijgen groen en met uitzondering van de top kaal
Hoogte: tot ca. 7- 8 m
Opmerking: goudenregen is een giftige boom, blad, twijgen, bast, maar vooral de zaden zijn dodelijk giftig. Meer over giftigheid
 
 
 
Milieu en groeiplaats: vochthoudende, voedselrijke, neutrale tot licht kalkhoudende bodems; zonnig. Is zeer gevoelig voor natte bodems.
Herkomst: Laburnum x Watereri is een kruising tussen L. alpinum en Laburnum anagyroides. Deze komt ook in het wild voor.
Fauna: alle soorten algemene hommels vliegen op goudenregen
Toepassing: vooral tuinen; verder in parken, soms in de openbare ruimte.
Beheer: het kernhout van goudenregen rot vrij snel na verwonding (zagen en snoeien bijvoorbeeld); als het niet strict noodzakelijk is kan met beter niet snoeien. Als het wel moet dan na de bloei, vanaf eind juli -beginseptember snoeien; op een later tijdstip verminderd de bloei in het volgend seizoen, vooral als dat voor of tijdens het winterseizoen gebeurt.
Wilde solitaire bijen: mogelijk rosse metselbij (osmia rufa), mannetjes zijn geregeld bij deze boom te vinden.
Dracht: oranjeachtig stuifmeel. Indicatie voor dracht: code 1 (rwn 2, rwp 2). Tot nu toe nooit meer van 10 bijen waargenomen, meestal zijn honingbijen afwezig.
Meer soorten goudenregen
 
Goudenregen - Laburnum x Watereri -
 
Goudenregen - Laburnum x Watereri
 
Bloeiwijze
 
Bloeiwijze
 
Bloeiwijze
 
Bladen gewoonlijk drietallig
 
Hommels -
 
Akkerhommel (met oranje stuifmeel) en aardhommel
 
Honingbijen -
 
Honingbijen -
 
Honingbijen
 
 
Meer soorten en kenmerken goudenregen
De drie meest gebruikte soorten in Nederland lijken veel op elkaar. Ze zijn het beste te onderscheiden aan de nog zeer jonge scheuten, het blad en de zaden.
Laburnum anagyroides is de soort die het meest lijkt te verwilderen, de overige soorten verwilderen niet of nauwelijks. Op deze pagina wordt alleen uitgebreider ingegaan op Laburnum x Watereri. Dit heeft te maken met foto's van bijen die op deze soort zijn gemaakt. Op het gebied van milieu/standplaats in tuinen en bijenbezoek zijn de drie soorten vrijwel gelijk. Dit geldt ook voor de giftigheid van de plant. De zaden zijn het meest giftig. Het eten of kauwen van zaden kan al leiden tot vergiftigingsverschijnselen; het eten van meer dan 10 zaden kan dodelijk zijn, zeker voor kinderen. In tuinen hoeft goudenregen geen probleem te zijn als er voldoende controle aanwezig is en/of kinderen niet de neiging hebben om allerlei plantendelen in hun mond te stoppen of zelfs te eten. Onder normale omstandigheden gebeurt dat niet. In de openbare ruimte kan met beter het zekere voor het onzekere nemen. Dus beter niet aanplanten. Wel moet worden opgemerkt dat er vrijwel zeker op duizenden plekken in Nederland goudenregens in voortuinen aan de openbare weg grenzen. Ook in zeer kinderrijke woonwijken. Dit zeker al vanaf de jaren 30 van de vorige eeuw het geval.
Goudenregen - Laburnum anagyroides
Boom/heester: bloeit rond mei- juni; tros tot ca. 30 cm lang ; tot ca. 7-8 m hoog; zaden zwart; verder als L. x Watereri. Blad en twijgen: blad aan de onderkant zijdenachtig behaard, deelblaadjes aan de top genaald; twijgen aan de top aangedrukt behaard.
Milieu: als L. x Watereri. in het stedelijke gebied op verschillende plaatsen verwilderd, onder meer op verhardingen (tussen voegen van plaveisel) en tegen muren; zonnig. Herkomst en verspreiding in Nederland: Zuidoost-Europa van af Zuidoost Frankrijk, verwilderd in West Europa.
 
Alpengoudenregen - Laburnum alpinum
Boom/heester: bloeit rond eind mei-begin juni; tros tot 40cm lang; tot 6,0 m hoog; verder als gouden regen. Blad en twijgen: blad aan de onderkant kaal of op of langs de middennerf behaard. Herkomst: Midden- en Zuid-Europa.
 
Laburnum x Watereri
Kenmerken Zie top pagina. Blad en twijgen: blad kaal aan de onderkant, op de middennerf behaard; deelblaadjes aan de top vaak genaald; twijgen kaal. Zie fotos blad
 
Bladnerf en bladtop van Laburnum x Watereri